Er bestaat een misverstand dat ik al decennialang probeer te weerleggen, telkens wanneer iemand met een stel SU-carburateurs voor zijn neus staat en denkt dat het allemaal wel meevalt. De SU-carburateur — en in het bijzonder het paar dat op de meeste zes-in-lijn Healeys thuishoort — is geen eenvoudig apparaat dat u met een kwartslag aan de mengschroef en een beetje intuïtie kunt afstellen. Het is een precisie-instrument, ontworpen in een tijdperk waarin ingenieurs nog met de hand rekenden en elke tolerantie een compromis was tussen wat machinaal haalbaar was en wat de motor daadwerkelijk nodig had. Wie dat vergeet, rijdt straks met een motor die op één carburateur leeft en de ander slechts voor de sier meedraagt.
De Vlotter, de Naald en het Principe van de Constante Vacuümdruk
De SU werkt op een principe dat bij de meeste automobilisten onvoldoende bekend is, ook al rijden zij al jaren op dit type carburateur. In tegenstelling tot een conventionele carburateur met een vaste sproeier, past de SU de doorstroomopening continu aan op basis van de vacuümdruk die de motor zelf genereert. Een zuiger — in het Engels aangeduid als de piston — beweegt op en neer in een koker, en aan die zuiger hangt een naald die in de sproeier schuift. Naarmate de motor meer lucht vraagt, stijgt de zuiger, de naald trekt omhoog uit de sproeier en er stroomt meer brandstof mee. Het is een elegant systeem, maar de elegantie zit hem juist in de kwetsbaarheid: een naald die ook maar een halve maat afwijkt van de specificatie, een vlotter die te hoog of te laag is afgesteld, of een zuiger die door slijtage niet meer vrij beweegt — elk van die factoren verstoort het evenwicht dat de ontwerper voor ogen had.
Wanneer u een motorblok revisie heeft uitgevoerd of zelfs alleen de inlaatpakkingen heeft vernieuwd, is de kans groot dat de carburateurs opnieuw gesynchroniseerd moeten worden, ook al heeft u ze zelf niet aangeraakt. Een veranderde compressieverhouding, een nieuwe pakking met een iets andere dikte, zelfs een kleppenstel dat net anders is ingesteld dan voorheen — al deze factoren beïnvloeden de vacuümverdeling over de twee carburateurs. En het is die verdeling die u wilt egaliseren, want alleen wanneer beide carburateurs precies evenveel lucht aanzuigen, werkt het systeem zoals het bedoeld is.
Synchroniseren: de Methode die Geduld Vraagt
De klassieke methode om twee SU-carburateurs te synchroniseren begint niet bij de carburateurs zelf, maar bij de motor. U warmt de motor volledig op — en daarmee bedoel ik werkelijk volledig, dus niet vijf minuten stationair draaien maar een rit van zeker een kwartier — omdat de spelingen in het metaal, de viscositeit van de olie en de thermische uitzetting van het aluminium in het carburateurlichaam allemaal meespelen in het eindresultaat. Wie koud synchroniseert, synchroniseert opnieuw als de motor warm is, en dan nog eens.
Het gereedschap dat u nodig heeft, is een zogenoemde Unisyn of een vergelijkbaar apparaatje dat de luchtstroom meet door de inlaatopening van elke carburateur afzonderlijk. U houdt het apparaatje voor de opening en noteert de positie van het vlottertje of de naald in het meetglas. Vervolgens stelt u de stationairschroef van één carburateur bij totdat beide carburateurs exact dezelfde luchtstroom tonen. Pas daarna — en dit is de stap die het meest wordt overgeslagen — controleert u of de gaskabels beide carburateurs gelijktijdig openen. Een verschil van zelfs een millimeter in de kabeldoorhanging betekent dat één carburateur altijd net iets eerder opengaat dan de andere, wat bij acceleratie resulteert in een ruk die u voelt als een mechanisch probleem, terwijl het in werkelijkheid een afstellingskwestie is.
Een detail dat ik pas begreep nadat ik mijn eigen motor een tweede keer had gedemonteerd: de verbindingsstang tussen de twee carburateurs — de throttle interconnection — slijt aan de pennetjes en de boringen, en dat spel vertaalt zich rechtstreeks in ongelijkmatige opening. Controleer dit mechanisch voordat u ook maar één schroef aanraakt, want synchroniseren op een versleten verbinding is zinloos werk.
Wat Origineel Betekent voor een Carburateur die Zestig Jaar Oud Is
Er is een vraag die iedere restaurateur uiteindelijk moet beantwoorden, en die vraag stelt zich ook bij de carburateurs: wat bedoelt u met origineel? De naalden die in de jaren vijftig en zestig in de fabriek werden gemonteerd, waren afgestemd op brandstof met een andere samenstelling dan wat er vandaag de dag uit de pomp komt. Loodvrije benzine heeft andere verbrandingseigenschappen, en wie zonder meer de originele naaldspecificatie aanhoudt, kan rekenen op een mengsel dat net iets te mager is, met alle gevolgen van dien voor de temperatuur van de uitlaatkleppen.
Dit betekent niet dat u de carburateurs moet vervangen of dat originaliteit een illusie is. Het betekent dat u de naaldkeuze bewust maakt, met kennis van wat de motor werkelijk nodig heeft, en dat u die keuze documenteert. In mijn eigen geval heb ik gekozen voor een naald die één stap rijker is dan de originele specificatie, en ik heb die afwijking opgeschreven in het restauratiedossier dat ik voor de auto bijhoud. Zo weet een toekomstige eigenaar — of ikzelf, als ik het over tien jaar ben vergeten — waarom die keuze is gemaakt en wat de redenering was.
Want een carburateur is geen onderdeel dat u vervangt en vergeet. Het is het onderdeel dat elke dag opnieuw beslist hoeveel van de motor u te horen krijgt, en wie daar zorgvuldig mee omgaat, rijdt een auto die aanvoelt alsof hij nooit anders heeft gewild.

